Ik raas over het spoor. Eerste klas. Gedegradeerd. Nice. De film op m’n laptop is niets bijzonders. Dertien in een dozijn. De deur gaat open. Ik zie eerst twee koffers, dan pas de persoon. Naast me is nog plaats. Ik krijg buren. Ook daar gaat de laptop open. Ook daar staat de film aan. Ik kijk scheef mee. Een kostuumfilm. Dan is de mijne nog beter. We bollen verder. Vreten kilometers. Een half uur later komen we in het station aan. De bestemming. Voor beiden. We staan te wachten aan de deur. Ik kijk achter me. Zie de twee koffers. Zie de niet al te grote persoon. Zie problemen. Dus ik wacht tot de deur open is, en zet de ene koffer op het perron. Een bedankje, een knikje. Dan ben ik weg. Ik loop tot de trap. Bekijk de treinen. Alles op tijd, bijna niets verspoord. Prima. I’ve got plenty of time. Dus ik neem weer de koffer vast. En sleur ze naar beneden. Een lach, een bedankje, lieve ogen. Ongeveer even oud, en niet lelijk ook. Sympathiek. Ik loop terug naar boven. Alleen. Wij zien elkaar nooit meer terug.

Ik loop naar de tent toe. Iets te laat eigenlijk. Het is al bezig. Ik geraak niet door de dichte massa mensen. De andere kant dan maar. Ik kom iets dichter bij het podium. De bassen denderen door m’n lijf. Ik glimlach. Dan zie ik hem staan. Met de witte pet op. Claude. Ik krijg kippenvel, minuten aan een stuk. Ik kan er niets aan doen, en zou het niet willen ook. Nummer na nummer krijg ik de tranen in m’n ogen. Intense muziek, woorden en letters die rollen, armen die zwaaien. En overal lachende gezichten. We zijn uitgelaten. Alle nationaliteiten door elkaar. Hoezo discriminatie. Dit is de avond van m’n leven. Heel erg kort, heel erg intens. “Bruxelles, vous êtes-là?” Ik hoor een moment niets meer. Laat me gewoon gaan. Vlieg mee in de massa, mee in de muziek, mee in het geluk. Een massa geluk. Een tent vol geluk. I like.

MC Solaar, Merci

We komen elkaar tegen. We komen elkaar terug tegen. Het is lang geleden. Er zijn eeuwen gepasseerd. We zijn onwennig. Anders. Weten niet wat te zeggen. Praten over niets. Het stroomt woorden, gevolgd door pijnlijke stiltes. Dan de ambetante vraag met het woord ‘liefde’. We willen ze niet horen, we willen alleen het antwoord weten. En ook weer niet. Is er iemand anders. Iemand anders waarmee we het bed delen. Iemand anders die lief is. Iemand anders die door ons hoofd spookt. Iemand die, op dit moment, niet de persoon is waar we tegen praten. Whatever. Wat we eigenlijk willen horen, is dat het niet super was. De tijd zonder de ander. De tijd van proberen, voelen en zien met een ander. Dat het vroeger, met ons Samen, toch een pak beter was. Dat de ander heimwee heeft. En hoopt dat het ooit nog goed komt. Hoopt dat er ergens nog een lichtpunt is. Zoals nu. Dat we elkaar toevallig weer tegen komen. En dat de ander er net zo over denkt. Valse hoop. Samen iets gaan drinken. Beetje praten, beetje lachen. Beetje onzeker. Na een tijd valt het verdict. We moeten weg. Geen nieuwe afspraak, geen nieuwe beloftes. Elk z’n eigen weg. En maar best ook. Ik slenter door de nacht, met de gedachten aan Vroeger bij me. Het is mooi geweest. Toen. Punt.

Ik loop door de straten. Nergens vandaan, nergens heen. Zonder doel. Ik bekijk de mensen, de straten, de pleinen. Slenter hier en daar een winkel binnen. Maar koop niets. Af en toe volg ik de mensen, voor even. Ze brengen me op andere plaatsen, andere oorden. Ver weg van waar ik ooit was. Ervoor. Als ik moe ben, wacht ik even. Dan stop ik op een terras, om weer naar de mensen te kunnen kijken. En zij zien me niet, alleen aan m’n tafeltje. Ze zijn met andere dingen bezig. En dat vind ik best. M’n gsm ligt nog thuis. M’n ipod ook. Ik wil niets of niemand horen. Ze hebben te veel te vertellen, te weinig te zeggen. Na een tijd sta ik dan op, en ga weg. Onderweg naar de andere mensen, plaatsen en dingen. Onderweg naar nieuwe dingetjes. Altijd onderweg.

Ik zie lijnen. Bijna horizontale lijnen. Snelle lijnen. Ik kijk om. Enkele tientallen meters verder verdwijnt de grond in de lucht. Witte lucht. Witte grond. Verder dan maar. Ik zet nog een paar stappen in het Wit. Moeizaam en traag. Ik zak tot voorbij m’n knieën in de sneeuw. Nog een paar. Ik ben buiten adem. Ik veeg de laag sneeuw van m’n bril en zucht. Het board begint door te wegen. De riemen van m’n rugzak lijken door alle lagen stof in m’n schouders te snijden. Ik ploeter nog een halfuur door. Dan stoppen de bomen met groeien. De kleine struiken duwen me vooruit. Nog even. Voor me zie ik enkel Wit. Oneindig Wit. Achter me jaagt de wind de wolken even weg. Dan zie ik ze. Twee schimmen. Donkere schimmen. Uitgeputte schimmen. Het duurt nog een kwartier eer ze bij me zijn. We ademen snel in en uit. We hebben niets te zeggen. We halen de boards van elkaars rugzak. De sneeuwschoppen doen dienst. Ons plateau, in het midden van niets. Drie verloren schimmen in een zee van Wit. Daar zitten we dan. En we wachten. Seconden, minuten. Dan gaan de lijnen over in losse strepen. Een paar strepen. Zeldzame strepen. En dan is het er plots. Zoals voorzien. Licht. De weinige flauwe stralen laden ons op. De stralen laten ons honderden meters ver zien. Honderden meters poeder. Verse poeder. We stappen in de bindingen. Kijken elkaar aan. De pretlichten moeten tot beneden te zien zijn. Dit was de uren afzien waard. Dit was het ijs in ons haar waard. Dit is alles waard. Dit is leven. Ik steek m’n duim op. Go.

Nerveus kijk ik in de spiegel. Niets te zien. Het licht wordt opgegeten door het monster dat Nacht heet. Complete duisternis. Heel in de verte de lichten van de afrit. En dat is het. Gebalde vuisten op het stuur. Tranen in de ogen. Ik zucht. En start de motor. Lichten aan. Klak. Eerste. De motor loeit. Ik trap het rechtse pedaal tot tegen de bodem. Klak. Tweede. Ik schakel snel. Kort. Ik check de spiegels. Nog steeds niets. Klak. Derde. De strepen worden een lijn. De lichten scheppen de wereld voor me. Klak. Vierde. Nog steeds alleen. Klak. Vijfde. Het gaat echt snel. Weer kijk ik achter me. Laatste kans. Nope. Pech. Kans verkeken. Ik bijt op de binnenkant van m’n wang. Ergens had ik verwacht lichten te zien. Lichten die me zoeken. Warme lichten. Lichten van een auto waar ik ook mee heb gereden. De andere auto. Wat maakt het ook uit. Tijd om de knop om te draaien. Tijd om te vergeten. De vrijheid lacht me toe. Ik rij weg van Vroeger. Weg van Ooit. Weg van herinneringen.Tijd voor iets nieuws. Eindelijk.

M’n schaduw wordt alsmaar langer. Ik sta met mijn voeten in het zoute water. Een paar meter achter me breken de golven, terwijl ze voor me alsmaar vlakker worden. En stoppen. Op de voetstappen die recht op me af komen na is er niets. Buiten ik.Ik was daar. Ik loop terug in dezelfde richting. De voeten mooi in de sporen, tenen op hielen, hielen op tenen. Een bijna perfecte lijn. Auw. Schelpen. Dan verdwijnen mijn sporen in een zee van andere. M’n voeten zakken weg. De voetsporen worden onbeduidende, nietszeggende kuilen. Ik staar naar de golvende duinen. Overdenk de voorbije uren, weken, maanden. De rust van deze plaats staat in schril contrast met wat er in m’n hoofd zit. Storm. Weken van spanning die opbouwt, beetje bij beetje, om dan uiteindelijk tot een climax te komen. Een orgelpunt. Het oog van de storm. En dan knalt. Bang. Scherven, tranen. Alles komt eruit. Tot in het kleinste detail. Verweesd staren we naar de brokken. Pas dan dringt het tot ons door. Dit hadden we net nodig. Opluchting. De pijn ebt weg. Hier komen we sterker uit. Dit nooit meer. Sneller praten, sneller luisteren. Het hart op de tong. Het regent beloftes, het hagelt liefde. Luid en hard. Pas als ik in de stilte sta zie ik de hagel smelten. Het water glipt tussen m’n vingers door. Ik kan het niet vasthouden. Ik sta op. Zand plakt aan m’n voeten. Ik neem het nog een eind mee, tot ik in de auto stap en wegrijd. Alleen. Ik en mijn korrels.

Ik lijk wel gek. Het is 1 januari 08:50 en ik sta boven. Helemaal alleen. Als enige er op tijd ingekropen. En terecht. Ik zie de zon voor de eerste keer opkomen. Hier en daar hangt nog een sliert nevel. En het is wit. Maagdelijk wit. Vlak wit. Een oceaan van wit. Helemaal voor mij alleen. Ik haal diep adem. En ik spring. Een rechte lijn. Tempo. De eerste bocht. Een waanzinnige spray. Great. Ik ga volledig los. De piste interesseert me niet. Nog niet. Ik ken deze plek, ik ken m’n board en ik ken m’n grenzen. Dus ik kan ver gaan. Het wit is perfect. Niet te hard, niet te los. Poeier à la carte. Perfecte grip. Ik ben in de hemel. En overmoedig. Een tikje overmoedig. Een tikje té. In de zoveelste bocht breekt m’n board uit. Fuck. De slonzige sneeuwman. Van kop tot teen in de poeier. Hoogmoed komt voor de val. Ik sta tot boven m’n knieën in het witte moeras. Ik schep met m’n board een klein verdiep uit. Oef. Na veel moeite krijg ik m’n bindingen terug vast. Terug vertrekken is nog lastiger. Eindelijk ben ik terug op weg. Even hard. Maar voorzichtiger. En het loont. Ik trek strakke, perfecte lijnen. Een wirwar van lijnen. Het duurt nog een half uur eer er andere naast de mijne komen. En ik ben opgewekt. Blij. Niemand die die smile van mijn gezicht krijgt. Hier ga ik nog van dromen. Hier ga ik nog terug staan. Hier ga ik terug vallen. En opstaan.

De zon schijnt in m’n gezicht, en ik ga op weg. Het perron staat vol mensen. Opgewekte mensen. Dat zal wel aan het weer liggen. Ik zet me ertussen. Een mier in de hoop. Bekende gezichten. En ook weer niet. Ik zie ze elke morgen, sommigen ook ’s avonds. Bevestiging. Dat ik op het juiste perron sta. Dat ik op tijd ben. Dat de trein op tijd is. We kennen elkaar niet. Maar goed genoeg, om te weten wat er kan. Of niet kan. Met mij praten, bijvoorbeeld. Niet omdat ik zo’n afstandelijk of asociaal persoon ben, maar omdat ik toch moe ben. En slaap op de trein. Of droom. Of lees. Of whatsoever doe. Mensen observeren bijvoorbeeld. Als het maar niet praten is. Over het weer. Of over m’n hond. Of over BHV. Ik rol dan een beetje de dag in. Soms val ik in slaap en word ik pas 50km verder weer wakker. In een andere provincie, in een andere stad, een ander station. Met nog steeds al die mensen ergens rond me. We gaan samen ergens naartoe, maar ook weer niet. Als ik uitstap ben ik wakker. Klaar voor de dag. Maar ook weer niet.

Ik loop weg. Ik ren. Spurt. Door het bos, over de smalle wegen, langs de plassen, onder de bomen door. Ik kom bij de heuvel. Eindelijk. Nu gaat het iets trager. M’n hartslag schiet omhoog, het tempo zakt. De laatste passen zijn loodzwaar. Een hel. Oef. Ik ben buiten adem. Ik sta met m’n handen op m’n knieën. Het zweet druipt van me. Het enige wat ik nog hoor is het bloed dat door m’n kop pompt. Afzien. Secondenlang. Minutenlang. Genoeg. Ik knoop m’n veters los en doe m’n schoenen uit. Ik ga in het gras zitten. Liggen. Het enige wat ik nog zie is blauw, grijs, en hier en daar een witte streep. Ik doe m’n ogen dicht. Langzaam komt m’n hartslag terug tot rust. Het hoge gras rond me omarmt me. Een groen deken. Een dik groen deken. Ik ril. Niet dik genoeg. De warmte is weg. Ik kijk op. Het begint te schemeren. Ik trek m’n loopschoenen terug aan. En ik wacht. Tot het donker genoeg is. Tot ik alle sterren zie. Pas als ik de nacht ruik, ga ik weg.