Ik stond voorovergebogen naar mezelf te kijken. Het water maakte er af en toe een raar beeld van. Vervormd, gerimpeld, kleurloos. Af en toe leek ik in delen te verdwijnen. Rillingen. Het beeld in het water verdonkerde. Ik keek omhoog. Ongemerkt was het zonnige weer van daarnet veranderd in een grauwe, grijze massa. Nog een keer keek ik om. Het hoopje kleren aan het begin van de steiger was het enige dat mijn aanwezigheid leek te bevestigen. Ik haalde mijn schouders op, haalde diep adem. En sprong. Het leek of de wereld om me heen bevroor. Ik zag me vanop een afstand hangen. Gek eigenlijk, zo in de lucht, met m’n ogen dicht. En toen raakten m’n voeten het water. Ineens. Hard. Ik werd omarmd door het ijskoude water. De lucht werd uit m’n longen geperst. Ik hapte naar adem. De lucht was een bevrijding. Het was koud. Echt koud. Ik bleef met m’n hoofd boven water. Wolkjes ontsnapten uit mijn mond. Koude haren plakten in mijn gezicht. Ik hoorde mezelf klappertanden. Het kon me niet deren. Niets kon me nog deren. Ik had lang genoeg vastgezeten. Het water was een bevrijding. Ik voelde me vrij. Gelukkig. Ik zwom nog even rond, vrij ver van de steiger, en kwam pas uit het water toen ik mijn voeten niet meer voelde. Ik zag mijn voetsporen over de steiger toen ik me aankleedde. Nog net. Het begon te schemeren. Het water droop uit m’n haar. Ik was pas helemaal droog toen het echt donker werd. Nacht. De Nacht die overal rond me was. De Nacht die naast me liep. De Nacht die een glimlach op m’n gezicht toverde. Mijn Nacht.
-
« Start
Pagina’s
-
Categorieën
-
Archief