Ik loop weg. Ik ren. Spurt. Door het bos, over de smalle wegen, langs de plassen, onder de bomen door. Ik kom bij de heuvel. Eindelijk. Nu gaat het iets trager. M’n hartslag schiet omhoog, het tempo zakt. De laatste passen zijn loodzwaar. Een hel. Oef. Ik ben buiten adem. Ik sta met m’n handen op m’n knieën. Het zweet druipt van me. Het enige wat ik nog hoor is het bloed dat door m’n kop pompt. Afzien. Secondenlang. Minutenlang. Genoeg. Ik knoop m’n veters los en doe m’n schoenen uit. Ik ga in het gras zitten. Liggen. Het enige wat ik nog zie is blauw, grijs, en hier en daar een witte streep. Ik doe m’n ogen dicht. Langzaam komt m’n hartslag terug tot rust. Het hoge gras rond me omarmt me. Een groen deken. Een dik groen deken. Ik ril. Niet dik genoeg. De warmte is weg. Ik kijk op. Het begint te schemeren. Ik trek m’n loopschoenen terug aan. En ik wacht. Tot het donker genoeg is. Tot ik alle sterren zie. Pas als ik de nacht ruik, ga ik weg.

Plaats een reactie

*
*