We komen elkaar tegen. We komen elkaar terug tegen. Het is lang geleden. Er zijn eeuwen gepasseerd. We zijn onwennig. Anders. Weten niet wat te zeggen. Praten over niets. Het stroomt woorden, gevolgd door pijnlijke stiltes. Dan de ambetante vraag met het woord ‘liefde’. We willen ze niet horen, we willen alleen het antwoord weten. En ook weer niet. Is er iemand anders. Iemand anders waarmee we het bed delen. Iemand anders die lief is. Iemand anders die door ons hoofd spookt. Iemand die, op dit moment, niet de persoon is waar we tegen praten. Whatever. Wat we eigenlijk willen horen, is dat het niet super was. De tijd zonder de ander. De tijd van proberen, voelen en zien met een ander. Dat het vroeger, met ons Samen, toch een pak beter was. Dat de ander heimwee heeft. En hoopt dat het ooit nog goed komt. Hoopt dat er ergens nog een lichtpunt is. Zoals nu. Dat we elkaar toevallig weer tegen komen. En dat de ander er net zo over denkt. Valse hoop. Samen iets gaan drinken. Beetje praten, beetje lachen. Beetje onzeker. Na een tijd valt het verdict. We moeten weg. Geen nieuwe afspraak, geen nieuwe beloftes. Elk z’n eigen weg. En maar best ook. Ik slenter door de nacht, met de gedachten aan Vroeger bij me. Het is mooi geweest. Toen. Punt.

Plaats een reactie

*
*