M’n schaduw wordt alsmaar langer. Ik sta met mijn voeten in het zoute water. Een paar meter achter me breken de golven, terwijl ze voor me alsmaar vlakker worden. En stoppen. Op de voetstappen die recht op me af komen na is er niets. Buiten ik.Ik was daar. Ik loop terug in dezelfde richting. De voeten mooi in de sporen, tenen op hielen, hielen op tenen. Een bijna perfecte lijn. Auw. Schelpen. Dan verdwijnen mijn sporen in een zee van andere. M’n voeten zakken weg. De voetsporen worden onbeduidende, nietszeggende kuilen. Ik staar naar de golvende duinen. Overdenk de voorbije uren, weken, maanden. De rust van deze plaats staat in schril contrast met wat er in m’n hoofd zit. Storm. Weken van spanning die opbouwt, beetje bij beetje, om dan uiteindelijk tot een climax te komen. Een orgelpunt. Het oog van de storm. En dan knalt. Bang. Scherven, tranen. Alles komt eruit. Tot in het kleinste detail. Verweesd staren we naar de brokken. Pas dan dringt het tot ons door. Dit hadden we net nodig. Opluchting. De pijn ebt weg. Hier komen we sterker uit. Dit nooit meer. Sneller praten, sneller luisteren. Het hart op de tong. Het regent beloftes, het hagelt liefde. Luid en hard. Pas als ik in de stilte sta zie ik de hagel smelten. Het water glipt tussen m’n vingers door. Ik kan het niet vasthouden. Ik sta op. Zand plakt aan m’n voeten. Ik neem het nog een eind mee, tot ik in de auto stap en wegrijd. Alleen. Ik en mijn korrels.

Plaats een reactie

*
*