Ik zie lijnen. Bijna horizontale lijnen. Snelle lijnen. Ik kijk om. Enkele tientallen meters verder verdwijnt de grond in de lucht. Witte lucht. Witte grond. Verder dan maar. Ik zet nog een paar stappen in het Wit. Moeizaam en traag. Ik zak tot voorbij m’n knieën in de sneeuw. Nog een paar. Ik ben buiten adem. Ik veeg de laag sneeuw van m’n bril en zucht. Het board begint door te wegen. De riemen van m’n rugzak lijken door alle lagen stof in m’n schouders te snijden. Ik ploeter nog een halfuur door. Dan stoppen de bomen met groeien. De kleine struiken duwen me vooruit. Nog even. Voor me zie ik enkel Wit. Oneindig Wit. Achter me jaagt de wind de wolken even weg. Dan zie ik ze. Twee schimmen. Donkere schimmen. Uitgeputte schimmen. Het duurt nog een kwartier eer ze bij me zijn. We ademen snel in en uit. We hebben niets te zeggen. We halen de boards van elkaars rugzak. De sneeuwschoppen doen dienst. Ons plateau, in het midden van niets. Drie verloren schimmen in een zee van Wit. Daar zitten we dan. En we wachten. Seconden, minuten. Dan gaan de lijnen over in losse strepen. Een paar strepen. Zeldzame strepen. En dan is het er plots. Zoals voorzien. Licht. De weinige flauwe stralen laden ons op. De stralen laten ons honderden meters ver zien. Honderden meters poeder. Verse poeder. We stappen in de bindingen. Kijken elkaar aan. De pretlichten moeten tot beneden te zien zijn. Dit was de uren afzien waard. Dit was het ijs in ons haar waard. Dit is alles waard. Dit is leven. Ik steek m’n duim op. Go.

Plaats een reactie

*
*