De zon schijnt in m’n gezicht, en ik ga op weg. Het perron staat vol mensen. Opgewekte mensen. Dat zal wel aan het weer liggen. Ik zet me ertussen. Een mier in de hoop. Bekende gezichten. En ook weer niet. Ik zie ze elke morgen, sommigen ook ’s avonds. Bevestiging. Dat ik op het juiste perron sta. Dat ik op tijd ben. Dat de trein op tijd is. We kennen elkaar niet. Maar goed genoeg, om te weten wat er kan. Of niet kan. Met mij praten, bijvoorbeeld. Niet omdat ik zo’n afstandelijk of asociaal persoon ben, maar omdat ik toch moe ben. En slaap op de trein. Of droom. Of lees. Of whatsoever doe. Mensen observeren bijvoorbeeld. Als het maar niet praten is. Over het weer. Of over m’n hond. Of over BHV. Ik rol dan een beetje de dag in. Soms val ik in slaap en word ik pas 50km verder weer wakker. In een andere provincie, in een andere stad, een ander station. Met nog steeds al die mensen ergens rond me. We gaan samen ergens naartoe, maar ook weer niet. Als ik uitstap ben ik wakker. Klaar voor de dag. Maar ook weer niet.

Plaats een reactie

*
*